Training heeft vaak als doel het verbeteren van de prestatie. Dit kan doordat in het lichaam allerlei aanpassingen plaatsvinden in weefsels en organen als gevolg van training. Om in vorm te komen is een uitgebalanceerd trainingsschema nodig dat uit de juiste elementen is opgebouwd. Bovendien moeten de trainingen systematisch verlopen, enige regelmaat hebben en regelmatig zwaarder gemaakt worden.

FITT
Een training kan ontleed worden in verschillende deelaspecten die gemakkelijk onthouden kunnen worden met de FITT-regel:

  • de frequentie van de training (F)
  • de intensiteit (I) van de training
  • de tijdsduur (T) per training (of trainingsonderdeel)
  • het type training (T)

Door combinatie van de verschillende deelaspecten kunnen diverse parameters berekend worden, bv. het wekelijkse gefietste volume (door de tijd per training met de gemiddelde fietssnelheid te vermenigvuldigen).

Schade en herstel
Na een training zal het prestatievermogen gedaald zijn vanwege o.a. de vermoeidheid en schade in de spieren. Tijdens de herstelperiode na de training wordt deze schade weer hersteld, en zal het prestatievermogen weer gaan stijgen. Het prestatievermogen stijgt zelfs iets verder door dan het oorspronkelijke niveau van voor de training, zodat het lichaam iets beter is bestand tegen de volgende keer dat het aan een inspanning wordt blootgesteld. Dit effect wordt supercompensatie genoemd. Veronderstelt wordt dat de periode tussen de training en het herstel (de supercompensatie) ongeveer 2 dagen duurt. Het effect van een training wordt dus pas op een later moment bereikt!

Een gedegen trainingsschema moet gebaseerd zijn op de volgende trainingspricipes: het overloadprincipe, specificiteit en reversibiliteit.

Overloadprincipe
Het overloadprincipe bestaat op zijn beurt weer uit 3 trainingsprincipes:

  • Het principe van de werkzame belastingsprikkel: om een trainingseffect in het lichaam tot stand te brengen moet de intensiteit van de belasting een bepaalde drempel overschrijden. Omdat het lichaam zich na een bepaalde periode aanpast aan de trainingsbelasting, moet het lichaam steeds zwaarder belast worden om een trainingseffect te verkrijgen. Regelmatig de trainingsbelasting verzwaren zorgt dus voor een optimale trainingsprikkel.
  • Het principe van de verminderde meeropbrengst: hoe lager je beginniveau, hoe groter het mogelijke trainingseffect. In het begin zal het trainingseffect spectaculair zijn, maar naarmate het prestatieniveau toeneemt wordt de winst steeds kleiner. Er zal dan steeds harder en langer getraind moeten worden om nog een effect te krijgen, omdat alles systemen al voor de maximale capaciteit benut worden.
  • Individualiteitsprincipe: ieder individu reageert anders op een trainingsprikkel. Er moet rekening worden gehouden met persoonlijke eigenschappen van een persoon (bv. leeftijd, aanleg, psychische eigenschappen).

Specificiteitsprincipe
Het lichaam past zich aan naar de aard van de belasting, waarbij de grootste veranderingen in het lichaam plaats vinden in die organen en celstructuren die de trainingsprikkel hebben ondergaan. Ook de bewegingsuitvoering (snelheid van beweging) is hierbij van belang. Daarom moet een trainingsprikkel specifiek gericht zijn op de doelen van de atleet en de prestatie.

Reversibiliteitprincipe
Trainingseffecten gaan geleidelijk aan verloren wanneer je een tijdje stopt met trainen. Al na een aantal dagen inactiviteit of verminderde activiteit neemt je prestatievermogen af.